Moonwise
Dutch verb display

Dutch self-test page Dutch verb display Moonwise home page

zien, zag, gezien  
  
infinitiveziento see
imperativezie!see!
present ik zie
jij ziet
u ziet
hij ziet
zij ziet
het ziet
wij zien
jullie zien
zij zien
I see
you see
you (polite) see
he sees
she sees
it sees
we see
you (plural) see
they see
perfect ik heb gezien
jij hebt gezien
u hebt gezien
hij heeft gezien
zij heeft gezien
het heeft gezien
wij hebben gezien
jullie hebben gezien
zij hebben gezien
I have seen
you have seen
you (polite) have seen
he has seen
she has seen
it has seen
we have seen
you (plural) have seen
they have seen
past ik zag
jij zag
u zag
hij zag
zij zag
het zag
wij zagen
jullie zagen
zij zagen
I saw
you saw
you (polite) saw
he saw
she saw
it saw
we saw
you (plural) saw
they saw
past perfect ik had gezien
jij had gezien
u had gezien
hij had gezien
zij had gezien
het had gezien
wij hadden gezien
jullie hadden gezien
zij hadden gezien
I had seen
you had seen
you (polite) had seen
he had seen
she had seen
it had seen
we had seen
you (plural) had seen
they had seen
future ik zal zien
jij zult zien
u zult zien
hij zal zien
zij zal zien
het zal zien
wij zullen zien
jullie zullen zien
zij zullen zien
I will see
you will see
you (polite) will see
he will see
she will see
it will see
we will see
you (plural) will see
they will see
future perfect ik zal gezien hebben
jij zult gezien hebben
u zult gezien hebben
hij zal gezien hebben
zij zal gezien hebben
het zal gezien hebben
wij zullen gezien hebben
jullie zullen gezien hebben
zij zullen gezien hebben
I will have seen
you will have seen
you (polite) will have seen
he will have seen
she will have seen
it will have seen
we will have seen
you (plural) will have seen
they will have seen
 
strong and irregular verbs
bakken
barsten
bederven
bedriegen
beginnen
begraven
begrijpen
bergen
besluiten
bevelen
bewegen
bezoeken
bezwijken
bidden
bieden
bijten
binden
blazen
blijken
blijven
blinken
braden
breken
brengen
buigen
denken
doen
dragen
drijven
dringen
drinken
druipen
duiken
dwingen
ervaren
eten
fluiten
gaan
gelden
genezen
genieten
geven
gieten
glijden
glimmen
graven
grijpen
hangen
hebben
heffen
helpen
heten
hijsen
houden
jagen
kiezen
kijken
klimmen
klinken
knijpen
komen
kopen
krijgen
kruipen
kunnen
lachen
laden
laten
lezen
liegen
liggen
lijden
lijken
lopen
malen
meten
moeten
mogen
nemen
overlijden
plegen
prijzen
raden
rijden
rijzen
roepen
ruiken
scheiden
schelden
schenken
scheppen
scheren
schieten
schijnen
schrijden
schrijven
schrikken
schuilen
schuiven
slaan
slapen
slijpen
slijten
sluipen
sluiten
smelten
smijten
snijden
snuiven
spannen
spijten
splijten
spreken
springen
spuiten
staan
steken
stelen
sterven
stijgen
stinken
stoten
strijden
strijken
stuiven
treden
treffen
trekken
vallen
vangen
varen
vechten
verbergen
verbieden
verdwijnen
vergelijken
vergeten
vergeven
verlaten
verliezen
vermijden
verraden
verschuilen
verstaan
vertrekken
verzinnen
vinden
vliegen
vouwen
vragen
vriezen
waaien
wassen
wegen
werpen
weten
weven
wijken
wijzen
willen
winnen
worden
wreken
wrijven
wringen
zeggen
zenden
zien
zijn
zingen
zinken
zitten
zoeken
zuigen
zuipen
zullen
zwellen
zwemmen
zweren
zwerven
zwijgen
random